De Mineervlieg blijkt een relatief nieuwe ´plaag´ te zijn die vanuit Centraal-Europa oprukt naar onze streken. Deze mineervlieg is actief bij prei, ui, look en bieslook.
Ze veroorzaken aanvankelijk kleine witte tripjes, vooral in de jonge sappige bladeren, hierin worden de eitjes gelegd. In een later stadium verschijnen slingerende gangen in het blad. Er zijn vele soorten mineervliegen die elk een eigen karakter hebben. De pop is grijszwart en bevindt zich altijd aan het einde van de mineergang. Voor de mineervlieg geldt dat dit insect een overbrenger kan zijn van schimmels en bacteriën.
De eerste generatie volwassen vliegen van Napomyza gymnostoma komt tevoorschijn in april en legt eitjes op waardplanten, aan de plantbasis of in de schacht van de plant.
De larven die uit de eitjes ontstaan migreren in de schacht van de planten, waar ze verpoppen.
Vanaf einde mei tot einde september blijft de vlieg in popstadium in de plant aanwezig. Dan verschijnt de tweede generatie volwassen mineervliegen, vanaf begin oktober tot november.
Vanaf einde november overwintert de larve als pop. Deze bruine poppetjes werden eerst opgemerkt bij de oogst van winterprei.
In tegenstelling tot de bekende aantastingen van wortel, ui, kool en prei waarbij de groentevliegen vanaf einde oktober geen verdere schade aanrichten, blijft de larve van Napomyza gymnostoma bij prei actief tot einde november. Zij veroorzaakt daar roodbruin verkleurde vraatgangen in de schacht van de prei.