Emelten zijn de larven van de Langpootmug. Afhankelijk van de soort heeft deze normaal gesproken een levenscyclus van een jaar. Het volwassen vrouwtje legt ca. 450-1300 eitjes die na tien tot veertien dagen uitkomen. De grasmat kan dan flink aangetast worden door de vraatzuchtige larven.
Emelten zijn taaie, grauwe en pootloze larven. Ze zijn ongeveer 2 cm tot 4 cm lang.
Als de larve schrikt, trekt ze haar kop terug, maar rolt zich - in tegenstelling tot de aardrups - niet op.
De larvale stadia zijn te vinden vanaf half september tot juni van het volgende jaar. De larven overwinteren in de grond en gaan in het voorjaar weer door met eten. In juni verpoppen ze en na tien tot veertien dagen komt de mug tevoorschijn waarna de cyclus zich weer herhaalt. Emelten kunnen temperaturen van -10 ° C overleven.
Emelten leven grotendeels ondergronds in holletjes, maar komen ’s nachts boven de grond om te vreten. Ze eten bovengronds plantenmateriaal dat bladgroen bevat. De plantendelen worden afgebeten en meegetrokken in het holletje. Bij oudere emelten is een kaal afgegraasd plekje te vinden rond dit hol.
Ze vreten aan de ondergrondse groene delen van de plant, zoals stengeldelen of aan de wortelhals. Hierdoor raakt de plant ernstig verzwakt, of valt zelfs geheel om. De gunstige levensomstandigheden voor de emelt is : een verzwakte grasmat (smeul), een natte herfst en een zachte winter.
Schade door emelten komt voor bij vele gewassen, vooral van grasland (weiland, sportvelden en openbaar groen), maar ook van bieten-zaailingen, wintertarwe en diverse vollegrondsgroenten. De schade kan bestaan uit opbrengstvermindering en verslechtering van de zodekwaliteit. Muizen, spitsmuizen, mollen maar vooral spreeuwen en kraaien zijn dol op emelten. Zij veroorzaken door het omploegen van de grond een secundaire schade aan met name graslanden.
Bepaalde producten zorgen ervoor dat de emelten de planten niet meer aromatisch vinden en dus niet meer aan de behandelde (gras)planten zullen vreten.